Bron: Leeuwarder Courant 13 maart 2004 voorpagina en bijlage:
Friese stabij in Zweden populair als ‘ zweethond'

Van onze verslaggever LEEUWARDEN - De Friese stabij maakt in Zweden furore als zogenoemde ‘ zweethond’. Het ras blijkt uitermate geschikt voor het opsporen van aangereden rendieren en elanden. De Zweden ontdekten bij toeval het talent van de stabij het spoor van groot wild te kunnen volgen. Hij overtreft daarin zelfs de Zweedse hondenrassen. In Zweden vinden jaarlijks een paar duizenden aanrijdingen plaats met rendieren en elanden. Politie en jagers zien het als hun plicht om gewonde, gevluchte beesten op te sporen.
Daarbij wordt gebruik gemaakt van gediplomeerde speurhonden. ,, Door het zweetwerk is de stabij hier inmiddels beroemd. Deze hond werkt zorgvuldig en in hoog tempo’’, zegt Anne Lie Högberg uit Malung, eigenaresse van een aantal stabijs.
Meer hierover (hieronder) in Sneon en Snein 2.

Mollenvanger op elandenjacht

Kleine Bijke werd groot in de crisisjaren. Het zwart- wit geschimmelde hondje verdiende als mollenjager de kost voor arme gezinnen in de Friese Wouden. De stabij werd er door de bevolking in het hart gesloten. Historicus Wiebe Dooper uit Sneek schreef een boek over het hondenras, dat tegenwoordig in Scandinavië een opvallende bloei doormaakt.

De afgelopen eeuw is de stabij een herkenbare hond gebleven. Links een stabij van de familie Baumfalk, Franeker 1910. Rechts de stabij Fido van Arina en Harrie Jansema uit Amsterdam.

Bijke loopt voorop. Zigzaggend door het weiland. Klaas Pultrum en zoon Oeds sluipen er achter aan. Samen op mollenjacht, Friesland 1920. Op de fiets zijn de mannen uit Houtigehage er op uitgetrokken. De hond in een kistje achterop. In het weiland krijgt Bijke meteen lucht van een mol. Heit, met de leppe in aanslag, zakt door de knieën en begint van de zenuwen steeds sneller op zijn pruimtabak te kauwen. ,, En dêrtroch begûn hy ek mear te koarjen’’, zal Oeds later vaak en smakelijk vertellen. Hij zat dan op hurken achter heit. ,, As der wat wyn stie, krige ik syn flibe allegear oer my hinne.’’ Armoe maakte de bewoners van de Friese Wouden vindingrijk. Als los arbeidersvolk stonden ze ’ s zomers bij de veeboeren in het hooi, in de herfst oogstten ze aardappelen, kool en bieten op de Groningse klei. Maar nog liever waren de Wâldpiken uit Zwaagwesteinde, Houtigehage, Boelenslaan, Harkema en Kollumerzwaag eigen baas. Ze probeerden de kost bijeen te scharrelen met handel, stropen, manden vlechten en mollenjacht. Na de eeuwwisseling van 1900 gold bont als luxeartikel. In 1915 bracht een vachtje twee kwartjes op, in 1920 al een daalder tot twee gulden. Arbeiders uit de Friese Wouden trokken op de fiets het land door, tot in Zeeland en zelfs België zaten ze achter de mollen aan. De velletjes stuurden ze naar huis, waar die op plankjes werden gespijkerd en gedroogd. Mollenbont was een flinke bedrijfstak. De velletjes werden via de markt in Leeuwarden bij tienduizenden geëxporteerd naar Engeland en Amerika. Een fanatieke mollenjager kon in die toptijd driehonderd gulden per week verdienen. Onmisbaar bij de jacht was Bijke. Het zwart- bonte hondje is van nature al behendig in het vangen van ongedierte, maar door uitgekiende fok en training werd hij een niet te evenaren mollenvanger. Als een stabij een mol betrapt, springt de hond met beide voorpoten de ril dicht, trekt het diertje uit de grond en bijt het dood. De stabij als kostwinner. Historicus Wiebe Dooper ziet het begin van de vorige eeuw als de belangrijkste periode voor het hondenras. ,, Yn dy tiid ha de Friezen dit hûntsje yn har hert sluten.’’ De rasnaam stabij wordt meestal liefkozend omgezet in de roepnaam Bijke. In de Wouden wordt hij ook wel Beke of Byke genoemd. Het hondje werd in elk geval zo populair, dat Hindrik van der Meer er een kinderversje over schreef. Het wordt op bijna iedere basisschool gezongen:
Bijke, Bijke, Bijke, leaf lyts hûntsje
Mei dyn sturt draaisto in rûntsje
en al seisto dan gjin wurd
alles sjoch ik oan dyn sturt.

Ook in de vroege Friese literatuur duikt de stabij al op. Schrijvers als Joost Halbertsma ( 1789), Waling Dijkstra ( 1821- 1914) en Nynke van Hichtum ( 1860- 1939) loven al de veelzijdigheid van het huisdier. Voorouders van de stabij liepen al in de vroege Middeleeuwen op Friese erven rond.

Uit die inheemse soorten, vermoedelijk vermengd met spaniëls die in de tachtigjarige oorlog door Spaanse soldaten werden meegebracht, is de latere soort ontstaan. Vandaag de dag lopen er in Friesland nog zeker drie- tot vijfduizend zwartgeschimmelde honden rond. Dooper spreekt over
‘ boerenstabij’, kynologen noemen zo’n bastaard wel gekscherend ‘ bijnastabij’. Voor de eigenaren is het een gemakkelijke en goedkope hiemhûn of huisdier. Vaak heeft de bastaards een krullende vacht en een gebogen staart. Bij de raszuivere stabij is dat echter taboe. Vlak voor de oorlog maakte een handjevol liefhebbers in Leeuwarden zich bezorgd over de stabij en over de wetterhûn. Beide Friese hondensoorten werden veelvuldig gekruist. De opkomst van de bunzingjacht was daar debet aan. Ook op de bunzing werd gejaagd om zijn vacht. Het zogenoemde murdzjen of
murdejeien vergde echter een andere, fellere soort hond dan de mollenjacht. De jachtpassie van de stabij werd gecombineerd met de kracht en grootte van de wetterhûn. Daardoor dreigden het typische uiterlijk en de kenmerken van beide soorten te verwateren.

De oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Stabij en Wetterhounen in 1947 voorkwam dat. De beste en zuiverste honden werden sindsdien geselecteerd en geregistreerd. Het zorgvuldig verder fokken werd in 1969 beloond met een eigen stamboek. Een raszuivere stabij is een krachtig gebouwde langharige hond met een lange staart. Meestal zwart- wit, maar soms ook bruin- wit of oranje- wit en ongeveer 50 centimeter groot. Een stabij is aanhankelijk, zacht, rustig en waaks. Maar bovenal schrander en veelzijdig. Hij wordt gebruikt voor de jacht – Bijke is een prima apporteur van klein wild - en doet mee aan alle hedendaagse hondensporten. Van behendigheidswedstrijden en flyball tot doggydance.

Opmerkelijk is de opkomst van de stabij in Zweden. In 1994 werd het ras door een liefhebber
geimporteerd en voor het eerst geshowd op tentoonstellingen. Toen bleek dat de stabij een goede werkhond was, nam de vraag snel toe. De oorspronkelijke mollenjager bleek erg goed geschikt als
‘ zweethond’. Hij overtreft zelfs de Hamiltonstövare, een brak, en de Zweedse Drever, een meutehond, die totnogtoe het meest werden gebruikt. Bijke blinkt uit in het opsporen van groot wild. ,, Hij heeft een zeer goede neus en kan geconcentreerd werken’’, zegt Rosmarie Alsin uit Köpmannebro. Ze is geregistreerd ‘ wildzoeker’. Samen met haar man beheert ze een natuurgebied zo groot als de provincie Friesland. Het echtpaar doet aan elandenjacht. Ook wordt Alsin nu en dan door de politie ingeschakeld voor ‘ nazoek’ als er een rendier of eland is aangereden. Dat gebeurt geregeld in het natuurrijke Zweden. Het is wettelijk verplicht om zo’n dier op te sporen met een gediplomeerde zweethond en het uit zijn lijden te verlossen. Alsin traint sinds enkele jaren stabijs voor het gespecialiseerde speurwerk.

Nederlandse kynologen noemen de opkomst van de stabij in Scandinavië zeer bijzonder. Vooral omdat het niet gaat om een populair huisdier of een showhond, maar om een werkhond die in de dagelijkse praktijk wordt gebruikt. Ook Wiebe Dooper juicht de buitenlandse belangstelling toe.

,, Foar de populaasje fan dit frij lytse ras is it in goeie saak.’’ Rosmarie Alsin is onder de indruk van de moed van de stabij. Behalve dat hij prima een spoor kan volgen, zelfs als dat al uren oud is, blijkt de hond niet bang voor een kolossale elandstier, die een schofthoogte heeft van 2,5 meter. Bijke probeert de eland op de plek te houden waar hij hem aantreft en wacht tot de jager bij hem is. ,, Hij laat zich niet afschrikken.’’

PETER GRONDSMA

‘ De stabij, Bijke in alle opzichten’ van Wiebe Dooper wordt op zaterdag 3 april gepresenteerd op ‘ Bijkedei’ in Houtigehage. Het is verkrijgbaar bij de Friese boekhandels en kost €24,95.